Gewaarde erven

 

Aan het eind van de 17e eeuw, in 1694[1], blijkt dat de marke Haarle 17 gewaarde erven telt. Eén meer dan anderhalve eeuw daarvoor, ondanks het verdwijnen van het erve Vagevuur. Nieuw op de lijst zijn de erven Nieuwe Meier en Kappert.

Dit sijn de tegenswoordige waertallen te na met naame der Erffgenaemen in ‘t gebruijck en bekent sijn:

Nieuwe Meijer
Hoebrinck

Reimert
d’erfgen. Crull. over deze waertal is verschil en sulcx sal moeten blijcken

Smeeinck
Gerrit van Haerst

Wolterinck
Braeckel van Marle

Meijerinck
Crulls erfgenaem

Littelinck
de wed. Martini

Roetert
D. Fockinck en Elisabeths Gasthuijs

Cappert
de Righter Fockinck

Pasman
de Provintie

Kemper
de Prostije ‘t Oldensael

Heerinck
de Righter Fockinck

Hoebert
de Hopman Adam Arentzen

Alfrinck
de wed. Cam. Doijs

Schuijrinck
de righter Fockinck en d’Reijger

Gerrit op de Eecke
de Juffr. Eenschaete

Albert op de Eecke
ad idem

Looninck
voor hem selven

Oorspronkelijk lijken er 13 gewaarde erven in Haarle geweest te zijn, allen van een zeer hoge ouderdom. Na verloop van tijd werden ook de erven Nieuwe Meijer, Cappert en de beide erven op de Eekte gerechtigd in de marke. Van deze oorspronkelijke erven behoorden er aan het begin van de 15e eeuw een elftal toe aan de proosdij van St. Lebuïnus te Deventer. De erven Hobert en Schurink blijken deel uit te maken van het Huis Almelo.

Hoe een dergelijk groot aantal boerderijen aan de Deventer proosdij[2] toeviel is onduidelijk. Al in de 11e eeuw werden er door de bisschoppen van Utrecht schenkingen gedaan van de kerk te Zwolle en verschillende landerijen in Wilsum en IJsselmuiden aan de proosdij[3]. In 1240 werd de Deventer kapittelkerk door brand verwoest[4]. Ter tegemoetkoming in de schade werden door bisschop Otto III vele tienden in geheel Salland geschonken. Hoe de goederen rond Deventer in het bezit van de proosdij zijn gekomen is niet bekend. Hoogstwaarschijnlijk behoorden deze tot de oudste kern van het goederenbezit. Het kapittel of de proost wordt vaak vermeld als de instelling of persoon, die bewilligt bij de verkoop van een goed, waaruit de rechten van het kapittel zouden blijken op dat goed.[5] Het optreden als leenman door de proosdij komt voor vanaf het midden van de 13e eeuw[6] en neemt vanaf de 14e eeuw aanzienlijk toe. De rechtsbetrekking tussen een leenheer (in dit geval de proosdij) en de leenman kan op tweeërlei wijze zijn ontstaan. Allereerst is er de mogelijkheid dat iemand zijn vrij eigen goed of recht aan iemand anders (meestal een machtiger heer dan hijzelf, zoals de proosdij) overgeeft, op voorwaarde dat hij het dan weer in leen terugontvangt (opdracht), of doordat de eigenaar (heer) van een goed of een recht (het tiende) dit in leen uitgeeft aan een ander persoon. Bij overlijden van de leenheer, diende de belening opnieuw aangegaan te worden, waarvan een verfijnde registratie werd opgesteld. Op deze wijze is het mogelijk een overzicht te maken van de erven die aan de leenkamer verbonden waren, wie hiermee beleend werden en wat – bij overdracht – de relatie was tussen de verschillende eigenaren.

Gewaardheid kon – blijkbaar – verkocht worden. Zonder nu al in te gaan op de rol van de marke in de 19e en begin 20ste eeuw, moet aangetekend worden dat in de markevergadering van 15 november 1905[7] een wat ander gezelschap aanwezig is.

Aanwezig als leden of[wel] erfgenamen:

G. Reimert, p.o. de wed. G.J. Reimert op het erve Reimert

B.J. Smeenk, p.o. de wed. Smeenk op het erve Smeenk

G. Wolterink als eigenaar van het erve Wolterink

G.J. Meijerink als eigenaar van het erve Meijerink

H. Alferink als eigenaar van het erve Littelink

H.M. Reimert als eigenaar van het erve Roeterink

H. Blikkert als eigenaar van het erve Kappert

Th. Wolterink p.o. wed. Th. Bloeme op het erve Kemper

Albertus Nahuis als eigenaar van het erve Wichers

Johannes Hobert als eigenaar van het erve Hobert

W. Kemper als eigenaar van het erve Alferink

G. Eekwielens als eigenaar van het erve Eekwielens

C. Heuven als eigenaar van het erve Eekhendriks

J. Eekmaat als eigenaar van de Koekoek

E. Bijvank op de Kapperij

De vergadering telt slechts een vijftiental leden. De eigenaren van de erven Pastink en Schurink lijken niet aanwezig te zijn. De volle waren van de erven op de Eekte, Eekwielens en Eekhendriks, blijken gesplitst te zijn.[8] Op de Vooreekte, Eekhendriks, blijkt 1 waar te berusten en de Middeleekte, Eekwielens, heeft een halve waar. Ook twee oorspronkelijke keuterboerderijen blijken gedeeltelijk gewaard te zijn. Een vierde waar berust op de Achtereekte en een ander vierde waar komt toe aan Eekmate of Koekoek. Het waar van het erve Nieuwe Meijer is reeds in 1832 verkocht aan Jannes Kappert. Wie deze Jannes Kappert is, evenals zijn relatie met H. Blikkert, is onduidelijk; des te opvallender is het, dat het erve Kappert al in 1694 als gewaard is genoemd. Willem Wolterink was de verkoper van het waar, voortkomende “uit het erve Nijmeijer of Brinkhboer”.[9] In ieder geval is Hendricus Brinkboer op de markevergadering van 29 januari 1811 aanwezig.[10] De waar van het erve Heerdink zou zijn overgegaan naar het erve Wichers.[11] Gerrit Jan Heerdink wordt op 19 maart 1805 voor de laatste keer genoemd[12] en E. Wiegers is op 2 juli 1834 voor het eerst aanwezig.[13] De waar van het erve Loenink is overgedragen op A. Diepman[14], die niet aanwezig is. Alleen de herkomst van de waar van E. Bijvank op de Kapperij valt niet te verklaren.

——————————————————————————–

[1] Markeboek I, blz. 51-52.

[2] Een uitgebreide bijdrage over de geschiedenis van de proosdij en de daaraan verbonden leenkamer treft men bij Mensema, Lebuïnus, inleiding.

[3] Ter Kuile, Oorkondenboek, I, no. 71.

[4] Ter Kuile, Oorkondenboek, I, no. 178.

[5] Ter Kuile, Oorkondenboek, I, no. 190, II, no. 248, III, no. 505.

[6] Ter Kuile, Oorkondenboek, II, no. 225.

[7] Markeboek III, blz. 1.

[8] Markeboek III, blz. 10.

[9] Markeboek II, blz. 81.

[10] Markeboek II, blz. 76.

[11] Markeboek III, blz. 10.

[12] Markeboek II, blz. 73.