jan 022012
 

Gerrit Loenink was een vooruitstrevend boer aan het eind van de achttiende eeuw. Door zijn toedoen groeide de buurtschap Haarle uit van een slaperige agrarische gemeenschap tot een vooruitstrevende samenleving. Loenink was de belangrijkste Haarlenaar uit zijn tijd, maar kan ook wel als de grootste Haarlenaar ooit worden gezien.

Jeugd

Op 10 oktober 1767 werd in de katholieke schuilkerk van Haarle Gerrit Loenink gedoopt. Zijn ouders, Jennigjen Loenink en Joannes Littelink, waren in 1756 getrouwd. In zijn jonge jaren bezocht hij de plaatselijke markeschool. Op zijn vijfentwintigste trouwt hij met Johanna Elisabetha Meinders, afkomstig uit één van de weinige katholieke families uit Hellendoorn en van goede komaf. Loenink zelf kwam van de grootste boerderij uit Haarle. Het erf behoorde toe aan de proosdij van St. Lebuïnus te Deventer. Op 1 maart 1692 kocht Nellis Gerrits Loenink de pacht af, waarmee hij de eerste vrije boer binnen het dorp was.

Kans tot zelfontplooiing

In 1795 wordt Loenink door het markebestuur aangesteld om samen met zijn neef Albert Littelink en pastoor Winkelman een kandidaat-schoolmeester te examineren. Van het drietal werd verwacht een advies uit te brengen of de kandidaat Gerrit Olthof bekwaam en kundig genoeg was om les te geven aan de plaatselijke jeugd. Dat juist Loenink en zijn neef werden gevraagd dit onderzoek te begeleiden, kan er op duiden dat zij binnen het dorp degenen waren die het meest onderwijs hadden gekregen.

Bouw van de molen

Loenink zag na de komst van de Fransen in Nederland in 1795 zijn kans schoon. De oude rechten, waaronder het recht van wind, waren vervallen. Op 19 januari 1801 diende hij een verzoek in bij de Eerste Kamer om een windkorenmolen te mogen bouwen. Enkele jaren later was de molen gereed. Over Loenink wordt gesuggereerd, dat hij door een zekere wiekenstand van de molen de boeren waarschuwde, wanneer er commiezen (belastingambtenaren) aanwezig waren die ‘in de oude tijd’ de molenaar controleerden. Na afloop kon er ‘weer gesmokkeld worden’. In het naast de molen staande molenhuis was een bakkerij gevestigd.

Overleveringen

In 1992 werden er door amateur-historicus J.H. Schoot Uiterkamp interviews afgenomen bij ouden van dagen, die – anderhalve eeuw later – nog honderduit over Loenink wisten te vertellen. Een van de verhalen is dat Gerrit Loenink bezig geweest is om een cichoreifabriek op te richten om cichoreiwortels te gaan verbouwen, drogen en vermalen. Het eindproduct diende als versterking voor de – toen nog – dure koffie. Een van de meest dichtbij gelegen cichoreifabrieken in Salland was die in Dalfsen, welk pas in 1858 werd opgericht. In ieder geval is dat er in Haarle nooit van gekomen. Daarnaast ging er een verhaal over bloedzuigers. Deze werden in vroeger tijden op de huid van personen met te hoge bloeddruk gezet, als goed alternatief voor het pijnlijke aderlaten. Loenink zou hier ooit een zeer grote hoeveelheid van hebben gevangen om naar Engeland te exporteren. Hij zou ze er zelf naar toe gebracht hebben, bij aankomst bleek dat de bloedzuigers de lange reis niet hadden overleefd. Loenink liep zijn opbrengsten mis en diende eerst nog in Engeland geld bij te verdienen om de dure overtocht terug te kunnen betalen. Schoot Uiterkamp besluit zijn aantekeningen met “of de huidige lezeres of lezer deze verhalen wil geloven of niet dat is hun zaak. Ik schrijf op wat mij verteld werd en als ze niet waar mochten zijn, dan zijn ze wel met fantasie uitgedacht.”

Burgemeester van Haarle

Een hardnekkiger verhaal is Loeninks inbreng bij onderhoud van de in 1791 gebouwde kerk. De bouwvallige staat, bijna 30 jaar na de bouw, leidde er toe dat in 1820 bij de overheid een grote subsidie werd verkregen. “Loenink, die in die dagen zoo veel als de Burgemeester van Haarle gold, had met 4 paarden de Prins moeten rijden. Loenink zou naast het rijtuig met den Prins druk gepraat hebben, over alles en ook over de ellendige toestand van het kerkhuis, zoodat hij den Prins 3000 gld. subsidie liet belooven, waarmede zij in Haarle mooi gered waren. Het optreden zou eerst niet naar den zin van den Pastoor geweest zijn, maar na het voldongen feit werd er gaarne in berust.” In ieder geval is er een Koninklijk Besluit uit 1820 waarin 3000 gulden aan de Haarlese kerkgemeente werd geschonken. Loenink maakte deel uit van een commissie die toezicht hield op een juiste besteding der middelen. Van een daadwerkelijke rondrit met de latere koning Willem II zijn geen bronnen uit die tijd bekend.

Behoud van bezit

Naast een molen bezat Loenink een grote boerderij, die hij verplaatste naar het centrum van het dorp. Daar startte hij een winkel annex café. Loenink overleed in 1834 en had zelf slechts één dochter. Uit het huwelijk van zijn kleindochter, met een molenaarszoon uit Heeten, werd een grote schare kinderen geboren. Daaronder werd de molen en het molenhuis van de andere bezittingen afgesplitst. In 1893 vond uiteindelijk een openbare veiling plaats van de boerderij, winkel, café en 133 hectare grond. De molen brandde af door oorlogsgeweld in 1945 en werd niet herbouwd. De gronden zijn in eigendom versnipperd geraakt. Zijn winkel en café zijn Hotel de Haarlerberg geworden, maar verder is er niets tastbaars dat aan Loenink doet herinneren. Zijn nageslacht is in Haarle uitgestorven.