sep 042011
 

Wanneer mensen praten over de geschiedenis van Oost-Nederland wordt die al snel afgedaan met een gedachte aan een armzalige boerenbevolking die met moeite genoeg middelen van bestaan kon vergaren en constant strijd moest voeren om huis en haard te beschermen. Chronologieën van landen en streken zijn vaak uitputtende lijsten van wederzijdse conflicten tussen stammen, krijgsheren, bisschoppen, legers, gewesten, Staatse en Spaanse zijde, Fransen en Kozakken, Nederlanders en Duitsers. Foto’s – alsof ze uit een openluchtmuseum komen – versterken die armzalige voorstelling van zaken. Beelden van plaggenhutten uit veenontginningsgebieden en kneuterige Twentse vakwerkboerderijtjes uit het begin van de twintigste eeuw bevestigen dit vooroordeel, vaak aangevuld met een boerengezin dat uit twee of drie generaties bestond. De vraag is of het beeld wat van de ‘toenmalige’ maatschappij wordt geschetst, of in ieder geval als vooroordeel bestaat, terecht is.

Een soortgelijk beeld heerste bij mij van ‘de gebieden in Oost-Europa’. Armzalige boerderijtjes, paard en wagen, corrupte overheid en slechts beperkte middelen van bestaan vormden mijn beeld van alles achter het ijzeren gordijn; of in ieder geval achter de Duits-Poolse grens. Afgelopen zomer trok ik, bepakt en bezakt met dit referentiebeeld, richting het zuiden van Polen. In acht dagen bezocht ik het Reuzengebergte, kleine provinciestadjes als Jelenia Gora, skioorden (!) als Karpacz, kleine plattelandsdorpjes, Oświęcim (Auschwitz), Krakow, Wieliczka en Wroclaw (Breslau). Mijn beeld werd niet bevestigd.

De Poolse bevolking – althans in de streek die ik bezocht – is een vriendelijk, welwillend volk, en religieus tot op het bot. In acht dagen tijd ben ik geen paard en wagen tegengekomen en deden de gemiddelde auto’s die er rondreden nauwelijks onder voor wat ‘wij Nederlanders’ gewoon zijn. Een grote werklust vond ik er niet. Veel gebieden zijn onontgonnen, landbouw vindt kleinschalig plaats, het onderhoud van wegen en gebouwen valt als matig te classificeren. Grotere steden als Krakow en Wroclaw zijn eeuwenlang al grote cultuurhistorische centra voor de wijde omgeving; zoals dat in het Westen steden als Amsterdam, Keulen en Parijs zijn. Jelenia Gora doet Münsters aan. Wie goed ‘achter de gevel’ kijkt ontdekt een volk met een rijke geschiedenis, eeuwenoude gewoonten en gebruiken en een bijzondere religieuze levensstijl, die op diepgewortelde grondslagen teruggrijpt. Kortom: een ontwikkeld land, met verschillen, dat misschien in bepaalde opzichten nog veertig tot vijftig jaar achterligt op Nederland.

Terug naar het beeld dat wij hebben van de Oost-Nederlandse plattelandsmaatschappij in vervlogen tijden. Ik denk stellig dat het armzalige beeld niet klopt. Natuurlijk: er was armoede, er waren oorlogen en oogsten mislukten. Op de achtergrond speelde zich echter ook honderd-, maar net zo goed tweehonderd-, vierhonderd- en zeshonderd jaar geleden een maatschappij af die vol zat met religie, kunst, cultuur en architectuur. De dominees, pastoors, adel, burgerbevolking en de gegoede boerenbevolking heeft in Twente al eeuwenlang een zeer complexe ruim ontwikkelde samenleving opgetuigd en de minder gegoede boerenbevolking pikte daar zeker z’n graantje van mee. Het hebben van wat relativeringsvermogen en wat minder vooroordelen kan dan ook geen kwaad, vandaag de dag.