jul 082011
 

Twintig jaar terug was ik nog maar een broekie. Ik kon nog maar net lopen en kom me niet voorstellen dat de wereld groter was dan de coniferenhaag die onze tuin van de openbare weg scheidde. Toen ik een jaar of vier was ging ik met mijn moeder en grootmoeder naar de markt in Almelo, waar heerlijke chocoladerozijnen te krijgen waren. De rit naar Almelo, per trein vanuit Nijverdal, leek wel een wereldreis. In de jaren daarna kwam ik er natuurlijk achter dat de werkelijkheid wel anders in elkaar stak. De middelbare school was tien kilometer fietsen en de vervolgopleiding alleen al drie kwartier in de trein.

In het laatste jaar van de middelbare school was er een culturele trip naar Berlijn. Een groep van zo’n honderd puberende jongelui begaf zich drie dagen lang in de stad die altijd maar wordt en nooit is. De stad met een zeitgeist. Met een bijzondere cultuur. Met een bijzondere bevolking. In de paar dagen dat we per metro de stad doorzoefden en ’s avonds het Berliner Pilsner rijkelijk lieten vloeien, deed ik een onweerstaanbare indruk op. Ik werd geconfronteerd met rijkdom en armoede, met weelde en rommel, met chique en ouderwets, met strak en onverschillig. Berlijn was niet één. Berlijn was twee.

Vorig zomer bracht ik een hernieuwd bezoek aan de stad. Ik trok de buitenwijken door, bezocht het Olympisch Stadion en had vanaf de Fernsehturm een fabuleus uitzicht over de stad. De stad met de lijn. De lijn die nooit ophoudt, de lijn die de stad van noord tot zuid doorkruist. De grens. Berlijn was niet één. Berlijn was twee.

Dit najaar, een zondagmiddag in oktober, bracht ik een bezoek aan het Enschedese museum Twentse Welle. De parkeerplaats stond vol auto’s uit Borken, Steinfurt en Coesfeld. De Enschedese grens, ’n Deenkel, leek in Glanerbrug wel verdwenen. De tentoonstelling DDR, Impressies van een verdwenen republiek leek wat mij betreft geslaagd. Het uurtje dat ik er rond liep, waren er zeker tachtig bezoekers. Vooral Duitsers.

Ik ben benieuwd hoe zij tegen de tentoonstelling aan kijken. Op de tentoonstelling wordt een redelijk idealistisch beeld geschetst van het leven in de DDR en Berlijn. Het Trabantje en de marxistische woningbouw doen charmant aan. Het kinderspeelgoed uit de jaren ’50 bijna lieflijk. Foto’s van het leven in de communistische planeconomie en de immense landbouwbedrijven komen romantiserend over. De interieurs zijn bijna Amerikaans. Strak design, goed in de verf. The German dream? Ik vond ’t af en toe wat overdressed, terwijl mijn beeld juist dat van armoede was.

Het lijkt haast de Twentse textielindustrie na de Tweede Wereldoorlog Was de potentie daarvan al niet in de tijd van de Koreaoorlog verkeken? Tot diep in de jaren ’70 teerden sommige Twentse fabrikanten op hun eigen vermogen in, om maar de faam op te houden goed te draaien. De zogenaamde nieuwe economieën waren dé oplossing. Export kwam zo weer op gang. Of toch niet? Eén van de vensters in de tentoonstelling gaat over “Die Bleierne Zeit’, de loodzware tijd in de jaren ‘80. Tijd waarin ontgoocheld werd teruggekeken op dat het niet was gelukt. Er is een bijzondere documentaire van Spiegel TV over te zien.

En opeens, was het gebeurd. Opeens viel de Mauer. Men kon de grens weer over. Proeven aan elkaars cultuur en leefgewoonten. De verhalen horen van mensen die je tientallen jaren niet had gezien. En opeens, was alles anders. Maar Berlijn werd niet één, Berlijn bleef twee.

Gepubliceerd in: ‘t Inschrien, Vereniging Oudheidkamer Twente, december 2009