jul 072011
 

Al honderden jaren worden er in Nederland genealogieën opgesteld, in uitgebreide of minder uitgebreide vorm om eer te doen aan de vaak adellijke afstamming van de burgerlijke geslachten in de grote steden in het land. Het doel van de genealogie was ook vaak het aan kunnen tonen van een adellijke titel, ten behoeve van lidmaatschap van de Ridderschap. Nadat het provinciaals regionalisme haar eerste vormen aan begon te nemen begon de Deventer historicus en provinciaal archivaris Jan Isaac van Doorninck geslachtslijsten en stamreeksen uit te geven van de oude burgerij van Deventer en Zwolle. De artikelen verschenen in de reeks Bijdragen tot de Geschiedenis van Overijssel [1] die verscheen vanaf de jaren ’70 in de negentiende eeuw. Vaak werden er enkele tientallen overdrukken afgeleverd voor de familie die geregeld op zwaar of handgeschept papier verschenen. Enige tijd daarvoor verscheen Jan van Doornincks Geslachtkundige aanteekeningen [2], waarin hij de afstamming van de gecommitteerden ten landdage van Overijssel behandelde.

Vanaf de jaren ’80 begon de jurist Mr. R.E. Hattink, die voordien al vele artikelen en publicaties op zijn naam had staan over het Twentse verleden, ook genealogische geschriften te verzorgen. In 1888 publiceerde hij in de Bijdragen over de geslachten Ledeboer en Von Bönninghausen en in 1901 volgden Eschede, Cramer en Putman. Hattink verzorgde van deze meeste van deze publicaties ook enkele tientallen overdrukken die aan de behandelde familie beschikbaar gesteld werden. Hij was ook verantwoordelijk voor de serie Overijsselsche Geslachtkundige Varia waarin de geslachten Janssen, Staverman, Gooszen en Kruys werden behandeld. Over de Twentse geslachten was tot dan toe, met uitzondering van de adellijke families op de verscheidene havezaten, niets bekend. Het grootste deel van de bevolking bestond uit boeren en arbeiders en had geen enkele reden (noch de financiële middelen) om onderzoek te (laten) doen.

Stork

Vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw, de tijd van de Twentse industrialisatie, beginnen de verschillende fabrikantenfamilies steeds meer aanzien te krijgen. Vanwege hun grote belang voor de economie, werkgelegenheid en de verschillende sociale en maatschappelijke voorzieningen genoten ze veel aanzien. Zij dreven grote textiel- of machinefabrieken en hadden vele honderden, en later duizenden, werknemers in dienst. Langzamerhand kon er gesproken worden van een nieuwe aristocratie. De behoefte ontstond dan ook een bijpassende afstamming op te stellen. Het geslacht Stork in Twenthe [3] kan gezien worden als de eerste bescheiden poging om iets dergelijks in Twente te bewerkstelligen. De publicatie werd verzorgd door Mr. R.E. Hattink ter gelegenheid van het veertig jarig doctoraat van Cornelis Hendrikus Stork, toen 64 jaar. Het boekje bevat naast een lithografie van het familiewapen en enkele aantekeningen over de oudste Stocks die door Hattink in 1450 in Ootmarsum zijn aangetroffen, een overzicht van de nakomelingen van Johan Philip Stork.

Al spoedig bleek het boekje een aanvulling te behoeven. Hattink bereidde een nieuwe uitgave voor, dat – voor wat het geslachtsregister betrof – bij zijn overlijden in januari 1909 voor het grootste gedeelte voltooid was. Dr. Anthony Willem Stork zette het werk na enige jaren voort en zorgde in december 1915, samen met de welwillende medewerking van de in Twente welbekende amateur-historicus C.J. Snuif, voor de afronding van het boek Het geslacht Stork [4]. De van oorsprong Westfaalse en later Oldenzaalse familie werd landelijk bekend met haar Machinefabriek Gebr. Stork & Co. te Hengelo en kreeg dan ook in Twente een behoorlijk aanzien. Het boek verscheen ruim opgezet met bijbehorende tabellen en diagrammen, het werd gebonden in een roze linnen band met het familiewapen voorop en verscheen in een genummerde oplage van 165 exemplaren. Het bevat naast de Twentse, ook de Ceylonese- en de Amsterdamse tak van de familie. Vermeld dient te worden dat de op 5 mei 1998 opgerichte Johan Philip Stork Stichting in september 1999 een herziene uitgave van dit standaardwerk deed verschijnen, waarin het aantal gehuwde mannelijke nazaten van Johan Philip Stork met de naam Stork gegroeid is van 71 in 1915 naar 187 in 1999, ook dit boek werd getiteld Het geslacht Stork [5] en verscheen in een oplage van 300 exemplaren.

Ter Kuile

G.J. ter Kuile (sr.) liet in 1900 het boekje De familie ter Kuile [6] verschijnen, waarvoor hij veel bronnenonderzoek had verricht in de Zwolse archieven alsmede in de verschillende familiepapieren die hem welwillend ter hand werden gesteld. De verschillende families in Zwolle en Buurse die de naam Ter Kuile droegen vormden de basis van het boek, dat in een oplage van 70 handgenummerde exemplaren verscheen. In de lente van1926 verscheen de tweede druk[7], waaraan ook G.J. ter Kuile jr. zijn bijdrage leverde. Het familieboek verscheen zonder de zogenaamde Zwolse Ter Kuile’s, omdat naar overtuiging van de schrijvers “geen familieband met hen te bewijzen was en ook niet met genoegzamen grond was te onderstellen”. De samenstellers vervolgen met de wens dat “ons familieboek zijn intree [moge] doen in elk Ter-Kuile-huis, waar ter wijder wereld het sta”. Het boek bevat een overzicht van de verschillende voorkomende Ter Kuile’s in de omgeving van Buurse en een genealogie van de nakomelingen van Herman ter Kuile die voor 5 juli 1647 overleed. Voorts zijn er verschillende persoonsbeschrijvingen te vinden, van burgemeester Hendrik ter Kuile en Coenraad ter Kuile, en enkele transcripties van brieven en andere archiefstukken.

Als laatste zijn opgenomen enkele bijdragen over de marke Buurse en omgeving, het erve De Koelboer en het Ter Kuile-fonds. De gehele familie verzamelde zich op 3 juli 1909 in Enschede en de eerste familiedag was een feit. Een rondrit richting het Grobbink en een bijeenkomst op De Koelboer gingen vooraf aan een rit langs het Aamsveen met als eindbestemming het Smalenbroek. Daar werd een zeer feestelijke maaltijd genoten hetgeen de gehele familie lang in een opgewekte stemming bijeen hield. De oprichting van het fonds, dat in oktober 1925 een kapitaal had van ƒ 30.500,- vond plaats in 1919. Doel was een voorziening te vormen om de nakomelingen van Engelbert ter Kuile behulpzaam te zijn bij het verkrijgen van een maatschappelijke betrekking door bij te dragen in de studie- of opleidingskosten.

Het boek, dat verscheen in een linnen band, werd door architect en tekenaar Jan Jans voorzien van verschillende illustraties van de Haarmühle, het erve De Koelboer en het familiewapen. Tevens verzorgde hij de kalligrafering van de voorplat. De boeken verscheen in een ruime opzet, zodat de lezers zelf in staat waren verschillende aantekeningen of opmerkingen bij de opgenomen personen te schrijven.

Jordaan

Het Familieboek Jordaan [8] is een qua uitvoering en inhoud veel bescheidenere publicatie als de hiervoor besproken boeken. Het is in 1915 geschreven door J.D. Jordaan te Apeldoorn en J.G.H. Jordaan te Haaksbergen en bevat een genealogie en twee uitvoeringen – in kleur en zwart-wit, door A. Cogural te Utrecht – van het familiewapen. Ook is een uitgebreide toelichting op de herkomst en de betekenis van het familiewapen opgenomen. De heren Jordaan gaven aan dat het hun vaak aan een goede medewerking ontbrak. Inlichtingen – die in enkele gevallen geheel uitbleven – waren dikwijls zeer onvoldoende. De publicatie werd afgrond op 1 maart 1915 te Haaksbergen waarna de Fa. van der Loeff te Enschede de uiteindelijke afwikkeling verzorgde.

 

Blijdenstein

Het was de Enschedese jongedame Cato Elderink[9] die verantwoordelijk was voor het in 1926 verschenen Het geslacht Blijdenstein [10]. Het boek was een indirect vervolg op Een Twents fabriqueur van de achttiende eeuw [11], dat handelt over Jan Bernard Blijdenstein, zijn opkomst in de Enschedese samenleving en de bijbehorende familiale contacten met de toentertijd opkomende linnenreiders in de stad. In het in marokijn gebonden boek (met familiewapen op de voorplat) schrijft Cato “Het lag oorspronkelijk in mijn bedoeling in dit boek als tweede afdeeling op te nemen het Geslachts-Register der Bljdensteins.” Aangezien er her en der in den in den lande Blijdensteins werden getraceerd, die niet in het oorspronkelijk manuscript voorkwamen, zou dit deel “dus na eenigen tijd onnauwkeurig en onvolledig kunnen blijken. Ik laat het daarom, althans voorloopig, liever achterwege”, aldus Cato in december 1923. Het boek is op handgeschept papier in één editie verschenen voor de nakomelingen van Jan Bernard Blijdenstein en werd in 1977, vanwege de lage oorspronkelijke oplage, herdrukt als een van de belangrijkste werken over de Twentse (proto-) industrialisatie.

Na een kleine drie jaar noeste arbeid was het dan toch eindelijk zo ver. In het najaar van 1926 verscheen het definitieve familieboek waarin de resultaten een buitengewoon uitgebreid onderzoek naar de Blijdensteins in den lande getoond werden. Helaas dient de schrijfster een jammerlijke opmerking te maken. Refererende aan alle roemruchte geslachten “denk ik echter geenszins aan de Middeleeuwsche Blijdensteins van adelijken huize, wier namen hier ook opgenomen zijn, want familierelatie is hier volstrekt niet aan te toonen en zal zeer waarschijnlijk ook niet bestaan hebben”, aldus Cato. De Twentse tak bleek haar oorsprong te hebben in het gehucht Blijdenstein, een halve kilometer ten zuiden van het Drentse Ruinerwold. Elderink onderneemt dan ook in 1924 een reis naar de plaats waar haar roots liggen en treft in het oude familiehuis de oude heer Klomp en zijn dochters. Ze werd vriendelijk ontvangen en annoteert over Klomp: “De man met het uiterlijk van een eerwaardig patriarch verliet sedert jaren de bedstede niet meer maar overzag van hieruit het woonvertrek en leefde het gezinsleven mede”. Al jaren leek hij te verslechteren maar in het gesprek met Elderink leefde hij op toen hij begon te verhalen over de laatste heer Blijdenstein die in het tweede kwart van de 19e eeuw aldaar was overleden. Ook sprak ze in de buurschap, bestaande uit kerk, pastorie en zes boerderijen, vele ouden van dagen die verhaalden over het leven van weleer. Het grootste deel van het boek beslaat vervolgens de stamreeks van de Blijdensteins tot aan het voorjaar van 1926. De lijvige publicatie, die allereerst verscheen in een oplage van 139 stuks en een summiere oplage van 21 stuks, verscheen op oud Hollands geschept papier in een ingenaaide en gebonden versie.

Van Wulfften Palthe

De familie Van Wulfften Palthe, afkomstig uit Almelo en later eigenaar van de stomerijketen Gebr. Palthe heeft nooit een grootse genealogie doen laten verschijnen. Dr. K. Döhmann, een landelijk bekend genealoog, was verantwoordelijk voor Het Geslacht Palthe [12], dat in 1913 in overdruk verscheen. Al 13 jaar eerder verrichte wederom Mr. R.E. Hattink een klein onderzoekje dat uitmondde in de Geslachtslijst Palthe wat voor Döhmann zeker als basis heeft gediend. Ook deed Döhmann een Duitstalig onderzoek, wat uitmondde in Urkunden und Nachrichten Genealogie und Geschichte des Geschlechts Palthe gesammelt im Jahre 1915 [13]. Pas in 2000 verscheen het boek Gebr. Palthe 1873-1913 [14], door D.W. van Wulfften Palthe WJzn. geschreven voor de familie. Deze publicatie, verscheen in een oplage van 200 exemplaren en kan gezien worden als een hedendaags familieboek.

Van Heek

Als het meest luxe, uitgebreide en imposante Twentse boek uit het begin van de twintigste eeuw kan het Familieboek der Van Heeks [15] gezien worden. Het boek, gedrukt op handgeschept papier, werd geschreven door C.J. Snuif. Hem werd door de heer H.A. van Heek, de heer G.J. van Heek, mevr. B. van Heek en dhr. G.J. van Heek jr. verzocht een genealogie samen te stellen. Naar Snuifs oordeel “moest het niet een zuivere genealogie zijn, maar meer een familieboek, waarin in woord en beeld zou worden samengebracht wat over de Van Heeks was te vinden”. Het boek bevat een overzicht van de ministrialen genaamd Van Heek, in gelijknamige Duitse plaats, de Van Heeks in Delden en de nakomelingen van de verschillende stamvaders Van Heek, waarvan Hendrik Jan van Heek als stamvader van de Enschedese Van Heeks kan worden gezien.

Het werd behalve een familieboek over de Van Heeks een familieboek van de Van Heeks. Het werd onder andere verluchtigd met een schilderij van mevr. A.H.G. Junge-van Heek, pentekeningen van J.H. van Heek en foto’s van G.J. van Heek jr. Het zal hoogstwaarschijnlijk de bedoeling zijn geweest dat het boek gepresenteerd zou worden in het begin van 1916. Op 28 december 1915 overleed echter de toenmalige stamvader van de familie, G.J. van Heek. Er werd een extra katern over zijn overlijden en leven toegevoegd aan de publicatie. De uiteindelijke afronding van de publicatie zal zijn geschied in februari 1916, of kort daarna. De presentatie vond plaats op 27 juni van dat jaar en werd verzorgd door J.B. van Heek, L. van Heek, J.H. van Heek en G.J. van Heek jr.

Het boek verscheen, zo bleek mij vrij recentelijk, in twee verschillende uitvoeringen. De bekende uitvoering, op handgeschept papier is verschenen in een blauwe imitatielederen band, met een grote opdruk, in goud, van het familiewapen. Tevens zijn mij twee exemplaren bekend geworden in een witte imitatielederen band, tevens op handgeschept papier, met een veel kleiner familiewapen in goudopdruk. Het gaat hierbij als eerste om het exemplaar van Maria Aurelia Christine van Heek, dochter van J.H. van Heek. Het exemplaar werd haar door haar vader – zo blijkt uit de notitie op het schutblad – aan haar en haar man Ben ter Kuile jr. aangeboden op 6 december 1943. Inhoudelijke verschillen zijn niet geconstateerd. Het familiearchief[16] van de familie Van Heek, berustend op Huis Zonnebeek, bleek tevens een exemplaren in bezit te hebben, te weten het exemplaar van G.J. van Heek jr. Dit exemplaar is voorzien van vele aantekeningen, toevoegingen, correcties en zeer bijzondere foto’s. Ook bevat het archief de originele gravures die gebruikt zijn voor het drukken van de afbeeldingen en de opgenomen handtekeningen.

Op 7 januari 1929 richtte G.J. van Heek jr. een schrijven aan zijn familieleden, waarin hij vermeldde dat door hem en zijn broer Jan in 1928 verschillende onbekende familieportretten zijn aangekocht. [17] Afdrukken hiervan, verzorgd door de heer Bronsema, werden aangeboden aan de nabij of ver verwante familieleden, evenals portretten van C.F. van Heek-Meijer en J.B. van Heek. De afbeeldingen waren uitdrukkelijk bestemd voor het familieboek en het verdiende dan ook aanbeveling deze te laten inbinden.

De facsimile’s

Alle voormelde boeken verschenen in sterk gelimiteerde eenmalige oplagen die niet voor de handel bestemd waren. Verspreiding vond plaats door de familie en slechts enkele exemplaren kwam terecht in openbare gelegenheden. De Koninklijke Bibliotheek te ’s-Gravenhage is in het bezit van alle in dit artikel behandelde publicaties[18], dit geldt ook voor het Van Deinse Instituut te Enschede. De mediatheek daar bevat onder andere de exemplaren die eigendom zijn geweest van C.J. Snuif. De Openbare Bibliotheek te Enschede is tevens in het bezit van de meeste behandelde publicaties, waarvan enkelen in het bezit zijn geweest van dr. A. Benthem Gz.

De verschillende publicaties blijven zeer schaars. Op de antiquarische markt zijn ze niet of nauwelijks meer verkrijgbaar en als er al een exemplaar opduikt moeten er exorbitante bedragen voor neergeteld worden. Dit leidde er toe dat in 2002 door Dries Jannink Tobiaszoon te Zuidlaren een fotomechanische herdruk werd verzorgd van de familieboeken Blijdenstein, ter Kuile en Van Heek. De oplage bedroeg om en nabij 40 exemplaren en door verschillende advertenties in ’n Sliepsteen werd de lezers van het blad de mogelijkheid geboden exemplaren hiervan te bemachtigen.[19] Hopelijk leiden deze herdrukken er toe, dat de grote vraag naar de schat aan informatie uit deze fantastische publicaties enigszins getemperd is.

Gij, die uw Vadren hier ziet en ook zelf uw Geslacht wilt bewaren,

Wen het leefde en Waar, Wat het wrocht en het kon……

Trouw mij toe wat Gij weet, ik zal het dankbaar ontvangen,

Geef mij uw naam en uw faam, ’t blijv’ hier voor ’t nakroost bewaard.

Uit: G.J. sr. en G.J. jr. ter Kuile, De familie ter Kuile, Leiden, S.C. van Doesburgh, 1926.


[1] Mr. J.I. van Doorninck en Mr. J. Nanninga Uitterdijk [red.], Bijdragen tot de Geschiedenis van Overijssel, de Erven J.J. Tijl, Zwolle, 10 delen, 1874-1907. De Bijdragen verschenen in afleveringen die aan het eind van het jaar bij elkaar gebonden konden worden. Men abonneerde zich per deel.

[2] Mr. J. van Doorninck, Geslachtkundige aanteekeningen ten aanzien van de gecommitteerden ten landdage van Overijssel zedert 1610-1794 Met eenige berigten omtrent de voormalige Havezathen in dat gewest, J. de Lange, Deventer, 1869-1871. De Aantekeningen verschenen in vijf verschillende delen. Jan van Doorninck was de eerste provinciaal archivaris en liet in 1861 in een vergadering van de VORG weten genealogische informatie te verzamelen. Het eerste deel werd door hem gepubliceerd en na zijn dood in 1869 was het zijn neef Mr. J.I. van Doorninck die het werk van zijn oom deed voltooien.

[3] Mr. R.E. Hattink, Het geslacht Stork in Twenthe, de Erven J.J. Tijl, Zwolle, 1884. Het jaar daarop liet Hattink Het geslacht Ter Horst te Rijssen verschijnen in een gelijksoortige bescheiden uitgave. Van een groots familieboek is het nooit gekomen.

[4] A.W. Stork, en C.J. Snuif, Het geslacht Stork, Meijer & Schaafsma, Leeuwarden, 1915.

[5] G.W.L. Stork, e.a., Het geslacht Stork, Johan Philip Stork Stichting, Almelo, 1999.

[6] G.J. ter Kuile sr., De familie ter Kuile, Almelo, 1900. Het Van Deinse Instituut bevat nr. 50 dat door G.J. ter Kuile is gesigneerd en van vele aantekeningen en aanvullingen is voorzien.

[7] G.J. sr. en G.J. jr. ter Kuile, De familie ter Kuile, S.C. van Doesburgh, Leiden, 1926.

[8] J.D. en J.G.H. Jordaan, Familieboek Jordaan, Firma M.J. Van der Loeff, Enschede,1915.

[9] Voor meer informatie over Elderink, haar werk en persoonlijke achtergronden raadplege men: Klaas Jan Uilderiks, Catharina (CATO) Elderink Een markante schrijfster, en: G. Waardenburg-Tip, Cato Elderink (1871-1941). In: ’n Sliepsteen 45 (1996), p. 3-7 en p. 14-16.

[10] C. Elderink, Het geslacht Blijdenstein, Drukkerij Koch & Knuttel, Gouda, 1926.

[11] C. Elderink, Een Twentsch Fabriqueur van de achttiende eeuw, Drukkerij Koch en Knuttel, Gouda, 1923. Herdruk: Hengelo en Schiedam, Boekhandel Broekhuis, 1977.

[12] Dr. K. Döhmann, Het Geslacht Palthe, ’s-Gravenhage, Centraal Bureau voor Genealogie en Heraldiek, 1913.

[13] Deze en andere publicaties – die in zeer gelimiteerde oplages verschenen lijken te zijn – zijn enkel in de collectie van het Van Deinse Instituut te Enschede aanwezig.

[14] D.W. van Wulfften Palthe, Gebr. Palthe 1873-1913, Drukkerij Gravé, Heemstede, 2000.

[15] C.J. Snuif, Familieboek der Van Heeks, Bronsema’s Drukkerij, Enschede, 1915.

[16] Mijn hartelijke dank gaat uit de Stichting Edwina van Heek en in het bijzonder naar mevrouw Blijdenstein, die verscheidene stukken uit het familiearchief beschikbaar stelde.

[17] Een exemplaar van deze brief berust in het archief van schrijver dezes.

[18] Deze zijn door mij niet ingezien. Uitzondering voor de verschillende Palthe-publicaties die daar niet zijn aangetroffen.

[19] ’n Sliepsteen, nummer 72, Enschede, winter 2002, blz. 11 en ’n Sliepsteen, nummer 74, Enschede, zomer 2003, blz. 22.