jul 032011
 

Het volgen van deugdelijk onderwijs was in het verleden voor slechts weinigen weggelegd. De aan de plaatselijke kerk verbonden scholen in Twente waren vaak klein van omvang, het opleidingsniveau van de koster beperkt en lessen werden er nauwelijks gegeven. Er waren maar enkele zogenaamde Latijnse scholen, waar de oudere jeugd uit de gegoede burgerij een vorm van onderricht kreeg die daadwerkelijk als kennisverrijking geclassificeerd kon worden. Het volgen van studies aan universiteiten in Groningen, Leiden, Utrecht, Münster of elders was al helemaal voor weinigen weggelegd. Benjamin Willem Blijdenstein was een van de weinigen die dit wel gegund was.

B.W. Blijdenstein
Benjamin Willem Blijdenstein (jr.) werd geboren in 1811 als zoon van B.W. Blijdenstein (sr.) en Catharina ten Cate. Blijdenstein sr. was firmant van de firma Blijdenstein & Co en opereerde als fabrikeur op het Twentse platteland; daarnaast was hij lid van Provinciale Staten van Overijssel en gemeenteraadslid. Blijdenstein jr.’s grootvader (Jan Bernard Blijdenstein) was tussen 1811-1818 burgemeester van Enschede. De Blijdensteins behoorden hiermee tot de gegoede burgerij, waarmee de kans op een vervolgopleiding groot was. Nadat Benjamin Willem jr. zijn opleiding aan het Athenaeum Illustre in Deventer had afgerond schreef hij zich in aan de Rijksuniversiteit van Leiden om rechten te studeren. Als vrijwilliger van een corps Leidse jagers onderbrak hij in augustus 1831 echter zijn studie, zodat hij deel kon nemen aan de Tiendaagse Veldtocht tegen de opstandige Belgen. Al snel werd er (eind 1831) gedemobiliseerd en pakte Blijdenstein zijn studie weer op.

De dissertatie
Blijdenstein promoveerde op 20 juni 1833 magna cum laude (‘met groot lof’) op gezag van Rector Magnificus Jac. Nieuwenhuis tot doctor in de rechtswetenschappen. Hij verhaald uitgebreid “over de uitleg van overeenkomsten volgens de Romeinsrechtelijke beginselen (regels)”. Het verbintenissenrecht was dus het belangrijkste onderwerp van studie geweest, hetgeen hem goed van pas kwam tijdens zijn latere carrière. Twee jaar later vestigde hij zich als notaris in Enschede.
In de dissertatie begint hij zijn introductie met uit te leggen wat een overeenkomst is, namelijk een afspraak die tot stand is gekomen op basis van een wilsovereenstemming van twee personen. Wel dient deze afspraak aldus Blijdenstein aan een aantal voorwaarden te voldoen. Zo mag deze niet in strijd zijn met bestaande wetgeving, of in strijd met de goede zeden. Verder behandelt hij onder andere de vraag wat er gebeurt als een overeenkomst onder dwaling wordt aangegaan. Daar zou sprake van zijn wanneer er bijvoorbeeld bij een verkoop, een koper en verkoper beide een ander voorwerp op het oog blijken te hebben.
Om dit soort zaken gefundeerd te kunnen beschrijven deed Blijdenstein uitgebreid onderzoek in juridische bronnen. Zo raadpleegde hij de Digesten, een verzameling geschriften van klassieke rechtsgeleerden uit de Romeinse tijd. Deze maakten allemaal deel uit van het Corpus Iuris Civilis, het rond 530 door keizer Justinianus I uitgegeven Burgerlijk Wetboek.

Kwaliteit van het werk
De waarde van zijn dissertatie is beperkt. Geheel in de traditie van de vroege negentiende eeuw is het meer een scriptie dan een wetenschappelijk onderzoek. Werken met zaken als een goed gedocumenteerd notenapparaat, het uitschrijven van citaten en het toelichten en analyseren van bronnen was in de tijd van Blijdenstein nog ongewoon. Hij zocht naar een onduidelijke wet in het omvangrijke corpus van het oude Romeinse recht, woog alle voors en tegens tegen elkaar af, trok zijn conclusie en was klaar met zijn werk. Elke student publiceerde indertijd over min of meer vergelijkbare onderwerpen, binnen de desbetreffende studierichting. Alles in zijn werk dat voor tijdgenoten ‘bekend’ werd verondersteld werd dan ook niet toegelicht. Eveneens opvallend is de slechte kwaliteit van het zetwerk. Boekdrukkers zagen indertijd het drukken van dissertaties als een haastklus. De oplage was beperkt, evenals het lezerspubliek. Dit leidde tot vele fouten in de interpunctie en zetfouten in de tekst. Blijdensteins werk raakte, zoals met zoveel dissertaties is gebeurd, in de vergetelheid. Dat dissertaties in het Latijn werden geschreven bevorderde de toegankelijkheid voor het grotere publiek ook niet.

Rechtsgeschiedenis
Benjamin Willem Blijdenstein was opgegroeid in de vroege negentiende eeuw, maar had zelf het ancien regime (de oude tijd, de situatie van Nederland vóór 1811) niet meer meegemaakt. Voordien had elke provincie een eigen rechtsstelsel, waren er drosten en schoutambten en was er sprake van landrecht en stadsrecht. Binnen Overijssel was er sprake van de Ridderschap en Steden, de Staten van Overijssel. De steden waren Deventer, Zwolle en Kampen, de Ridderschap van Overijssel vertegenwoordigde het platteland. Feitelijk werd de gewone bevolking hierdoor van het provinciaal bestuur uitgesloten. De vertegenwoordigers van de steden waren afgevaardigden uit de gegoede burgerij; de Ridderschap van Overijssel bestond uit het verbond van eigenaren van havezaten in de gewesten Salland, Twente en het Land van Vollenhove. Stadsbestuurders van de kleinere ‘steden’ in Overijssel, zoals Hasselt, Zwartsluis en Vollenhove in het westen van Overijssel en Ootmarsum, Delden, Goor en Enschede in Twente stonden hierdoor helemaal machteloos. Slechts bij een beperkt aantal stadjes was een havezate aanwezig, via welke weg een snelle ingang bij het provinciaal bestuur te krijgen was.
Blijdenstein was opgegroeid met de Franse Code civil van Napoleon, wat hij in zijn proefschrift ook aanhaalt. Pas sinds 1838 gold er in Overijssel en de rest van Nederland een echt Hollands Burgerlijk Wetboek, wat grotendeels was opgesteld op basis van Napoleon’s Code civil en het Romeins recht. Onder dit Burgerlijk Wetboek heeft Blijdenstein dan ook het grootste deel van zijn notariswerkzaamheden moeten verrichten. Tot 1992 bleef het Burgerlijk Wetboek in de oorspronkelijke vorm intact. Door de introductie van het Nieuw Burgerlijk Wetboek, dat vanzelfsprekend op het oude BW was gebaseerd, werd de Nederlandse wetgeving aangepast aan de moderne samenleving.

Verdere carrière
Het motto van Blijdenstein dat uit zijn dissertatie naar voren kwam is: “Let altijd meer op wat mensen feitelijk willen dan op datgene wat ze zeggen of schrijven.” Waarschijnlijk heeft hij dat in zijn verdere carrière met zich meegedragen. Twee jaar na zijn promotie, in 1833, ging Blijdenstein op 24-jarige leeftijd aan de slag als notaris in Enschede. Desondanks lag daar niet zijn passie. Hij was liever opgenomen binnen de firma van zijn vader. Hij had een zwakke gezondheid. Blijdenstein legde zich onder andere toe op de landbouw. Hij hield zich bezig met de ontginning van heidevelden, hij hield koeien, had een broodbakkerij, een melkventerij en startte enkele handelsondernemingen. Dat leverde hem echter niet voldoende inkomsten op. Hij ontwikkelde zich vanaf de jaren veertig als kassier en bankier, door gelden in deposito te nemen en te bemiddelen bij financiële transacties. Vanaf 1843 professionaliseerde hij zich hier verder in, onder de naam bankierskantoor B.W. Blijdenstein Jr. meldde hij zich bij de Nederlandsche Bank. Nadat de Nederlandsche Handel Maatschappij (NHM) in 1848 alle protectionistische maatregelen ophief, braken voor Blijdenstein gouden tijden aan. ‘Zijn’ Enschedese fabrikanten werden allen genoodzaakt om hun kredietverlening te professionaliseren, waarna hij zich in de wisselhandel stortte. Binnen tien jaar hadden vrijwel alle Enschedese textielfabrikanten hun financiële belangen bij Blijdenstein ondergebracht. Door zijn zoon werd in 1858 in Londen The Exchange and Investmentbank B.W. Blijdenstein & Co. opgericht, in 1861 volgde de oprichting van de Twentsche Bankvereeniging B.W. Blijdenstein & Co. in Amsterdam. Vijf jaar later overleed Blijdenstein. De door hem gestarte banken fuseerden in 1964 met de NHM in de Algemene Bank Nederland, die in 1990 fuseerde met de AMRO Bank samengevoegd tot het huidige ABN AMRO. En dat alles begon met een onbetekenende dissertatie over het verbintenissenrecht.

Bibliografische gegevens: B.W. Blijdenstein, De conventionum interpretatione secundum juris Romani principia, diss. Leiden, J.C. Cyfveer, 1833.

Literatuur: J. de Vries, W. Vroom en T. de Graaf, Wereldwijd bankieren ABN AMRO 1824-1999, Amsterdam, 1999.

Met dank aan drs. T. de Graaf, ABN AMRO Historisch Archief uit Weesp en mevr. Mr. F.A.J. van der Ven, Faculteit Rechtsgeleerdheid van de Rijksuniversiteit Groningen, voor haar interpretatie van de Latijnse dissertatie