jul 032011
 

Nadat de Fransen in het voorjaar van 1795 binnen de Sallandse grenzen verschenen veranderde er veel qua wetgeving. Het anciem regime (de oude tijd) was voorbij. Napoleon kondigde grootscheepse hervormingen aan, waaronder het afschaffen van allerlei ‘ouderwetse’ aan de adel voorbehouden rechten. Eén daarvan was het recht op het vangen van wind, ofwel het mogen hebben van een molen. Door een vooruitziende Haarlese boer, Gerrit Loenink, werd daar al snel op ingesprongen.

Geslacht Loenink
Het geslacht Loenink is één van de meest welgestelde boerenfamilies van Haarle geweest. Zij bewoonden al vanaf het eind van de veertiende eeuw een grote boerderij aan de zuidzijde van Haarle. Vanaf 1692 was Nellis Loenink de eerste Haarlenaar, die ook eigenaar was van zijn boerderij. Dit in tegenstelling tot alle andere boeren die jaarlijks pacht afdroegen aan de adel of geestelijke instellingen. De keuterboeren worden hierbij buiten beschouwing gelaten.

Machtspositie
Al sinds mensenheugenis was het recht op wind toebedeeld aan de eigenaar van de havezate Schuilenburg bij Hellendoorn. Boeren uit het hele schoutambt waren daardoor genoodzaakt om hun graan te laten malen op kilometers afstand. Daarbij kon de eigenaar van de molen ook nog eens zelf het maalgeld bepalen, het bedrag (veelal een hoeveelheid graan) dat door de boer aan de mulder afgedragen moest worden. De boeren uit Haarle maakten overigens (ook) gebruik van de molens die stonden binnen het schoutambt Raalte. Zodoende hoefde niet de Hellendoornse berg gepasseerd te worden.

De molen
Kort na de afschaffing van het recht op wind zag de Haarlenaar Gerrit Loenink zijn kans schoon. In 1801 diende hij een verzoek in bij de kort daarvoor opgerichte Eerste Kamer in Den Haag, waarna hij toestemming verklaar tot het bouwen van een windkorenmolen op de Haarler enk, die spoedig daarna in gebruik genomen werd. Tevens bouwde Loenink een molenhuis dat voor de pachter bestemd was die de molen draaiende hield en een katerstede die werd bewoond door een van de knechten die op de molen werkzaam was. In de daaropvolgende decennia werden ook elders in de gemeente Hellendoorn molens gebouwd. Alleen de molen van Fakkert (1821) en molen De Hoop (1854) in Hellendoorn bestaan daarvan nog. De meesten verdwenen er in de eerste helft van de twintigste eeuw. Zo ook in Haarle. Op de dag van de Haarler bevrijding, 9 april 1945, werd de molen door overvliegende Canadese vliegtuigen in brand geschoten. Ook het molenaarshuis, dan bewoond door de familie Geertman (nageslacht van Loenink), brand tot de grond toe af.

Hotel de Haarlerberg
Naast zijn molen begon Loenink ook een kruidenierswinkel en grutterij in de langzaam ontstane kern van Haarle. Deze splitste af aan een ander deel van zijn familie. In 1893 werd het geheel, waarbij ook een grote boerderij met 133 hectare grond behoorde, geveild. De winkel werd overgenomen door Antonie Diepman. Hij bouwde een nieuw hotel annex café, wat sinds 1948 bekend staat onder de naam Hotel de Haarlerberg.

Pakhuis en kruidenierswinkel
De Haarlese molenaarsfamilie Geertman bestond tot in de jaren dertig van de twintigste eeuw uit een drietal ongehuwde broers. Zij dreven gezamenlijk de molen, de bakkerij en bijbehorende boerderij. Bij gebrek aan eigen opvolging kwam uit Heeten een achterneef en –nicht richting Haarle. Zo was zowel de bakkerij, wat later kruidenierswinkel werd, als de boerderij van opvolging verzekerd. Op de plek van de molen werd een pakhuis gebouwd. Gemalen werd er niet meer in Haarle, het graan van de Haarler boeren werd op de molen in Heeten gemalen. De kruidenierswinkel sloot uiteindelijk in 1975.